Toen ik het einde had bereikt
van mijn verdorven heden,
stond God op uit het slijk,
en weende;
en ik stond naast hem, ziende neder
op een verloren eeuwigheid.
En hij zei: je had geen gelijk;
maar dat is nu voorbij, van heden
tot aan die andere eeuwigheid,
is maar één schrede.
Surplus van liefde, waar moet gij nu heen?
hul u in eigen hoede
en slaap ten overvloede,
en in de morgenstonden… ineen.
Maar neen, laat nog de ziel vermoeden,
achter den horizon van steen,
het landschap dat niet kan verbloeden
omdat het ligt te spiegelen.
Van poëzie bezeten,
door demonen besprongen,
rotten de woorden
bij hun geboorte,
en liederen worden aas voor honden.
Thebe
Met leven toegerust voor beiden,
liep ik vannacht de gangen in,
die naar u leiden.
Het ondergronds geburchte droeg
een stilte, die met tegenzin
mijn tred verdroeg.
De muren stonden als verzadigd
van ruige schimmel; lucht en licht,
voorgoed beschadigd,
beten mij uit; de wil alleen
bij u te zijn in 't jongst gericht,
hield mij ter been.
Het labyrinth verliep in schroeven
van eender, blinder cirkeling.
U ten behoeve?
Ik weet niet meer hoe lang ik ging.
Hoe brachten zij, die u begroeven,
zover een ding?
Totdat mijn voeten op u stuitten:
uit een volslagen duisternis
zag ik uw ogen opensplijten;
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
dat in mij sloeg;
uw mond, in dood verholen, vroeg.
Een taal waarvoor geen teken is
in dit heelal,
verstond ik voor de laatste maal.
Maar had geen adem meer genoeg
en ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht,
vervaald en veel te vroeg.
Email
Een mist om te bezitten,
wat gij hebt nagelaten:
de onberoerde staten
ochtend: vergeetmijnieten
stonden in onze ogen.
Email hing onbewogen
boven het ledikant.
Wij lagen in een rand
van parelmoer ontwaakt.
Er was een zee te hooren
ver binnen onze ooren,
aan deze deze schelp geslaakt.
Mijn moeder sterft
Er wordt om mij geroepen:
mijn moeder sterft.
Ik moet de valleien opzoeken,
die ik erf.
Bloemen van voor zestig jaren
bloeien over.
Het is niet te gelooven,
o grijze haren,
dat ik er nog niet was,
toen zij neerlag in het gras,
hunkerend naar het leven,
dat ik ben gebleven.
Het is niet te denken,
dat zij me straks niet zal wenken
op het terras
dier andere weide
aan gene zijde
van stof en asch.