Met de avond worden de duinen eenzamer,
luider aanhoudend wordt het zeegeruis,
ten schip de van ’t omheen vervreemde kamer,
een alleen eiland het geluidloos huis.
Eenzamer dan de duisterende paden,
die van huis naar ’t eeuwig ruisen gaan,
is ’t hart dat, onherroepelijk verraden,
elken dag weer van niets moet voortbestaan.
Aan zee
Een gore zee;
Aan 't strand daarvan:
Van lieverlee
Een eenzaam man.
Zijn blik is naar
Verlatenheid -
Geen uitzicht, waar
Men die vermijdt.
In 't niets verglijdt,
Zonder misbaar,
De hooploosheid
Van weer een jaar.
De mond blijft stom
Tegen den tijd,
Want ouderdom
Is eenzaamheid.
Spiegeling
Een duivenveeren hemel weerspiegelt in de zee,
Blauw licht dampt tusschen hemel en stiller hemelbeeld.
Ter eene en andre zijde rondt zich de kling der kust
Naar een vervloeiden einder van zee, lucht, land en mist.
De erinnering wordt wakker aan een verloren schoon;
Een oud gevoel keert weder van uit een langen droom.
Een droom van stemmen en van gelaten en gerucht
En steeds vermoeider worden, en dien men leven zegt.
’t Was eerst een eindloos hunkren, een dwalen her en der,
Werd toen een daaglijksch derven, en toen ook dat niet meer.
-- Het uur wordt later, ’t duister groeit door het grijze heen.
Een parelzwarte hemel schaduwt de schemerzee.
November
Het regent en het is november
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is alengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
INSOMNIA
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliedt gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.
Hoe onmachtig klinkt het schriel 'te wapen',
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen. < br>
Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,
Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van 't paren
Is niet minder dan de wieg het graf.
Zondag
De stilte, nu de klokken doven,
Wordt hoorbaar over zondags land
En dorpse woningen, waarboven
Een schelpenkleurge hemel spant
De jeugd keert weer voor d' in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm, van onbestemd verwachten,
In zondagsstilte eenzelvig kind.
En tussen toen en nu: 't verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van 't wonde hart aan hangen bleef.
Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog 't meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.