waterwereld

Bloem

1887-1966



Avondduinen

Met de avond worden de duinen eenzamer,
luider aanhoudend wordt het zeegeruis,
ten schip de van t omheen vervreemde kamer,
een alleen eiland het geluidloos huis.

Eenzamer dan de duisterende paden,
die van huis naar t eeuwig ruisen gaan,
is t hart dat, onherroepelijk verraden,
elken dag weer van niets moet voortbestaan.






Aan zee


Een gore zee;
Aan 't strand daarvan:
Van lieverlee
Een eenzaam man.

Zijn blik is naar
Verlatenheid -
Geen uitzicht, waar
Men die vermijdt.

In 't niets verglijdt,
Zonder misbaar,
De hooploosheid
Van weer een jaar.

De mond blijft stom
Tegen den tijd,
Want ouderdom
Is eenzaamheid.







Herinnering


De gloeiende avond in de kleine stad:
Verlichte ramen stonden ruisend open
Naar zomertuinen en het langzaam lopen
Van de geliefden langs het grijze pad.

Als dit geheime ooit wr te leven was:
Hoe dat het wachten licht van een lantaren
Scheen op de donkere, gedempte blaren,
Wist het hart, dat het van den dood genas.

Maar het vergankelijke kent geen keer
Dan in de opstanding der herinneringen;
Gistren is even ver als deze dingen:
In het verleden is de tijd niet meer.

Toch zullen bij het sluiten van den kring,
Waarin ons dreef des levens steng beschikken,
Die als lucht onhoudbare ogenblikken
Onze enige eer zijn en rechtvaardiging.

En zullen we, in de werveling van den tijd
En de vervoeringen, die niet bekijven,
Indachtig aan onze oude dagen blijven
Met onvergankelijke aanhankelijkheid.

Tot aan het zwichten en het laatst getij,
Wanneer de wereld n wordt met het duistren,
En wij de niet te horen woorden fluistren:
Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.






Herinnering


Al de vergetenen, de niet-beminden,
Als regendruppels langs ons heengegaan,
Uiteengedrevenen naar alle winden --
Zij waren bijna niets in ons bestaan.

Maar soms stijgt uit den ondergrond der baren
De schelp van een gelaat en 't vale wier
Van onvergankelijke, doode haren
Voor 'n weerlichtend oogenblik naar hier.

Waarom is het, dat uit het graf der jaren
Deze ne als lazarus zijn wade rijt,
Terwijl in ons zoo ongetelde scharen
Te ruste zijn in aller eeuwigheid?







Vroege Voorjaarsavond


Het ongelezen boek viel naast hem neder;
Hij streek langs de ogen met een vage hand,
En keek naar buiten: 't eerste lenteweder
Betoverde het schemerende land.


Er was een waas van het aanvanklijk lover
Om het afzonderlijke, zwarte hout,
En iets als zoelte zweemde de avond over,
Maar waar de wind zijn vleugel sloeg was 't koud.


De lenten gingen en de lenten komen;
De wereld is een onverganklijk oord,
Waaraan de harten, eenmaal opgenomen,
Niet meer ontwijken dan door de ne poort.


Waarom dan zich in dromen te vergeten?
Laat het boek ongelezen. Wie, die 't deert?
Er is maar n ding, dat wij zeker weten:
Dat eens de lente ons nimmer wederkeert.








Zondag

De stilte, nu de klokken doven,
Wordt hoorbaar over zondags land
En dorpse woningen, waarboven
Een schelpenkleurge hemel spant
De jeugd keert weer voor d' in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm, van onbestemd verwachten,
In zondagsstilte eenzelvig kind.

En tussen toen en nu: 't verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van 't wonde hart aan hangen bleef.

Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog 't meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.







Afscheid


Wanneer wij 's avonds 't dorp inkwamen geurden
De linden en wij zagen voor het huis
De meidoorns, die hun vage bloesems beurden
In scheemring en zacht bladerengeruisch.

Het leven stuurt ons hooploos heen en weer.
Waar zullen ons de laatre lenten vinden?
Ik vraag niet langer. Ik weet slechts: niet meer
Zien wij tezaam die meidoorns en die linden.





Avond


Met de' avond worden de duinen eenzamer,
Luider aanhoudend wordt het zeegeruisch,
Een schip de van 't omheen vervreemde kamer,
Een alleen eiland het geluidloos huis.

Eenzamer dan de duisterende paden,
Die van het huis naar 't eeuwig ruischen gaan,
Is 't hart dat, onherroepelijk verraden,
Elken dag weer van niets moet voortbestaan.





Herfstavond


De mist der herfstige avond lokt mij stil naar buiten,
Waar nevelvage maan wit-dampend land beschijnt.
't Is of een god, wiens stem nu rijst, dan weer verdwijnt
Mij roept met spel van zeven trapsgewijze fluiten.

Ik loop, ik zoek hem door de landen, waar de mist
Op weegt en, daar ik ga, heeft zich de damp geheven,
Alleen op verre velden zie 'k nog golven zweven.
De maan schijnt in klare avondlucht bleek amethyst.