Zeekoorts
Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in 't verschiet
Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.
Het rukken van 't wiel, 't gekraak van het hout, het zeil ertegen,
Als de dag aanbreekt over grauwe zee, door een mist van regen.
Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,
Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust,,br>
't Is stil hier, 'k verlang een stormdag, met witte jagende wolken
En hoogopspattend schuim en meeuwen om kronk'lende kolken.
Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?
Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen.
Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.
'k Heb genoeg aan een pijp op wacht, en een glas in 't vooronder.
J. Slauerhoff
(naar John Mesefield)
Afsluitdijk
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vòòr mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar 't een droom, in 't glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen mijn hoofd deint boven het watervlak beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin. Er is geen einde en geen begin aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.
M. Vasalis
|
Meer nederlandse en Vlaamse zeegedichten zijn te vinden op zeegedichten :
Ode aan de blauwe zee
Blauwe zee van ver gekomen,
Golven die zoo loome droomen,
Droomen van een eeuwig leven,
Droomen van een eeuwig zijn,
Zacht zingt de zee,
Zangen van weemoed,
Zacht zingt de zee,
Zangen van wee.
Zingt de haring mee,
De haring is een visch,
Die zoo verfrischend is,
Als men katterig is.
J.H. Speenhoff
Baders hartewens
Dwars door de tuinen
Van roos en ranken
Zich ’t pad te banen,
Dan door de lanen
Van zand en dennen
Vluchtig te rennen
Tot waar de kruinen
Van hoge duinen
In ’t blauwe blanken
En zo te naderen
Met zwellende aderen
In laatste loop
De harde golven
En, overdolven,
Hun koele doop.
A. Verwey
Liedje
Achter de wuivende duinenlijn
stoeien de wind en de wilde zee.
Wij liggen als gekamerd in den vree
van blauwe lucht en zonneschijn.
Mijn oog drinkt uit uw oogenlicht
gelijk een zomerbloem die bloeit
aan water dat de wind niet moeit.
Het wordt een wonderbaar gedicht.
In zwellende ademtocht begint
der lange strofen teer geheim -
Dan roept de zee haar ruischend rijm,
dan fluit zijn hoog refrein de wind.
Wij liggen als gekamerd in den vree
van blauwe lucht en zonneschijn.
Achter de wuivende duinenlijn
stoeien de wind en de zee.
P.C. Boutens
Bezoekers
| © copyright waterwereld 2002-2009 | home | links
| Email: sysopje@yahoo.com |
| 
| |