Wind en water wijd en zijd
Wind en water wijd en zijd
houden dit eiland van verlangen
vreemd en glinsterend gevangen
binnen den tijd.
Bloemen en dieren weten het niet,
en het blijft hen onvernomen,
want de wind veinst in de bomen
een ander lied.
En de beken zingen het mee,
en alle de wateren lachen en klagen
of zij van eeuwigheid gewagen,
tot aan de zee.
En maan en zon en de wolken gaan
daarover, en uit de regenbogen
jubelt nog eindelozer logen --
wij alleen staan
bleek, met ogen leeg, in dit
vreemde spiegelbeeld geboren
van een rijk, dat wij verloren
achter den tijd.
DE KLEINE WATERPLEK
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
omdat zij sterk verschijnt wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
OOK MARSMAN
Ik denk, nu de wind wild
om het huis te keer gaat,
aan wat hij heeft gewild,
aan waar hij nog voor staat
woord voor woord,
onverhoord.
Overal waar hij zwierf
waait regen, waait zonlicht.
Alleen waar hij stierf
sloeg de Noordzee dicht.
en zwalpt door
Verdween hij? Verdween hij niet?
de wereld zwalpt als een zee
over haar eigen gebied
Maar wellicht is daarmee
ook terecht
niets gezegd.
In den somberen zomer gaat
de wind om het huis te keer.
Ook Marsmans gelaat
zien wij nooit weer.
Onverhoord
blijft ons woord.
|
|
|