Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in 't verschiet
Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.
Het rukken van 't wiel, 't gekraak van het hout, het zeil ertegen,
Als de dag aanbreekt over grauwe zee, door een mist van regen.
Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,
Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust,
't Is stil hier, 'k verlang een stormdag, met witte jagende wolken
En hoogopspattend schuim en meeuwen om kronk'lende kolken.
Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?
Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen.
Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.
'k Heb genoeg aan een pijp op wacht en een glas in 't vooronder.
De ontdekker
De rustigen die mij tartten te vertrekken
Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd
Rijkdommen fabelachtig te ontdekken,
Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,
En eindlijk in triomftocht aangebracht.
Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot.
Wel waren bijna al mijn mannen dood,
Maar alle havensteden bont bevlagd.
Toen moest ik knielen voor den gouden troon.
De koning boog en wilde mij een keten
Omhangen – die ik hem met wilden hoon
Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten.
Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd,
En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede.
Ik neeg – maar in mij brandde toch het felst
't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.
En haastig heb ik mij weer ingescheept,
Zeker van een ontdekking, anders grootsch,
Maar ben door onweerstaanbre drift gesleept
Naar zeeën leeg en kusten steil en doodsch.
Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak.
Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen
Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak,
Waarop drie kale masten: galgen? kruisen?
De ontdekker
De rustigen die mij tartten te vertrekken
Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd
Rijkdommen fabelachtig te ontdekken,
Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,
En eindlijk in triomftocht aangebracht.
Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot.
Wel waren bijna al mijn mannen dood,
Maar alle havensteden bont bevlagd.
Toen moest ik knielen voor den gouden troon.
De koning boog en wilde mij een keten
Omhangen – die ik hem met wilden hoon
Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten.
Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd,
En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede.
Ik neeg – maar in mij brandde toch het felst
't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.
En haastig heb ik mij weer ingescheept,
Zeker van een ontdekking, anders grootsch,
Maar ben door onweerstaanbre drift gesleept
Naar zeeën leeg en kusten steil en doodsch.
Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak.
Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen
Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak,
Waarop drie kale masten: galgen? kruisen?
Kreta
Zee lag stiller onder sterrennacht
Dan een gulden vlies, een zilveren vacht.
Iedre windvlaag scheen voorgoed te luwen.
't Zware schip kon zich niet verder stuwen
In het weerstandloze, ijle klare,
En het eiland kwam voorbijgevaren.
Of het een stil schip was, diep gezonken,
Welks topzeilen in het maanlicht blonken,
Schoven zijn besneeuwde toppen zacht
Langs de verre wouden van de nacht,
Door de manekring en sterrenzwermen
Meegetroond, ontvreemd van kust en bergen,
Even streng gescheiden en ontheven
Als mijn grondloos dromen van mijn leven.
Het einde
Vroeger toen 'k woonde diep in 't land,
Vrat mij onstilbaar wee;
Zooals een gier de lever, want
Ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En 'k zocht het ver op zee.
Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb
Naar 't verre, vaste, bruine land...
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet, en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand.
Angústia
De zee trekt onder de nacht
Naar vele verlaten stranden;
Als een vloeibare wind is zijn klacht,
En zout, zooals tranen branden.
Ik voel dat overal waar de
Branding in snikken breekt
Tegen de kusten der aarde,
Mijn leed met zijn golven smeekt
Om de verloren genade
Jou weer nabij te zijn.
Ik wil van mijn schip af waden
Naar iedere einderlijn.
Want nergens en overal,
Als ‘t licht van de maan uit de wolken,
Doolt mijn verdriet door ‘t heelal
En wil zich verdrinken in kolken.
Maar ik weet dat de zee en ik
Des nachts hetzelfde voelen,
Om één leed tezamen woelen
Op ‘t oeverloos bed tot een snik.
Zoo zocht ik om te vergeten
Dat ik alles verloor om een vrouw;
Maar waar hij ook door haar schijnt bezeten,
Word ik toch weer gedompeld in rouw.
Ik heb zooveel herinneringen,
Als blaadren ritslen aan de boomen,
Als rieten ruischen bij de stroomen,
Als vogels het azuur inzingen,
Als lied, geruisch en ritselingen:
Zooveel en vormloozer dan droomen.
Nog meer: uit alle hemelkringen
Als golven uit de zee aanstroomen
En over breede stranden komen,
Maar nooit een korrel zand verdringen.
Ze fluistren alle door elkander
Wild en verteederd, hard en innig;
Ik word van weelde nog waanzinnig,
Vergeet mijzelf en word een ander.
De droeve worden altijd droever,
Nu ik het onherroeplijk weet,
Steeds weer te stranden aan den oever
Der zee van ‘t altijddurend leed.
Ook de gelukkige worden droever,
Want zij zijn voorgoed voorbij:
Kussen, weelden, woorden van vroeger
Zijn als een doode vrucht in mij.
Ik heb alleen herinneringen,
Mijn leven is al lang voorbij.
Hoe kan een doode dan nog zingen?
Geen enkel lied leeft meer in mij.
Aan de kusten van de oceanen,
In het oerdonker van de bosschen,
Hoor ik ‘t groot ruischen nog steeds ontstaan en
Zich nooit meer tot een stem verlossen.
zeeroep
Ik ging gelooven dat ik nu zou rusten,
De winter in ’t ommuurde stadje blijven,
Een huis bewonen, klare zinnen schrijven
En voor het eerst wat langer voortgekuste
Vrouwen hier bij mij hebben en, ter ruste
Met hen gegaan, lang in omhelzing blijven,
En langzaam werden mij hun willige lijven
Vertrouwd als vroeger vaak bezeilde kusten.
Zoo dacht ik zittend in mijn kamer, maar
Vannacht hoor ik de najaarsstorm aanheffen;
Het dakhout maakt als kreunend want misbaar.
Ik woon zo ver van zee, zoo dicht bij haar;
’t Storten der branding kan mij hier niet treffen.
Hoe kan ik zoo wanhopig klaar beseffen
Dat ik weer scheep zal gaan, voor ’t eind van ’t jaar.
Brieven op zee
Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.
Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.
Tusschen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.
Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met het water.