Aan zee
Zonne stervend zonk in zee, -
En een wijde wade spreidde
Op de breede kimme neer
't Wolkenheer.
Eenzaam ruischt de duist're zee, -
Langs der duinen ruige kruinen,
Als met droeve doodenklacht
Zucht de nacht.
Eenzaam, eenzaam ruischt de zee -
Slaat de kuste zonder ruste; -
Moeder aarde ligt alom
Doodsch en stom.
Op het woelend vlak der zee,
Wiss'lend dansen kille glansen. -
Starre lach der doode maan
Staart mij aan.
Dreigend, dreigend druischt de zee!
- 'k Zie een grijzen nevel rijzen -
Komt uit 't groote zonnegraf
Op mij af!
Red mij, red mij van de zee!
Red mij aarde, die mij baarde! -
Vaalgewiekte oneindigheid
F. van Eeden
Van de Zee
Aan Frederik van Eeden
De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel, in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.
Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om, en keert weer waar zij vliedt;
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.
O Zee, was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;
Dan had ik eerst geen lust naar menschelijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;
Dan wás mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn
Willem Kloos
|
|